De ruggengraat en de speerpunt van de Duitse economie

19 oktober 2016 Peter van der Meulen

In populair-journalistieke taal is de "Mittelstand" "de ruggengraat en de banenmotor van de Duitse economie". Verschillende publicaties spreken van "onontgonnen terrein" voor Nederlandse ondernemers met volop kansen en werelden te winnen. Het hangt er van af hoe je "Mittelstand" definieert...

Vaak wordt "Mittelstand" gelijkgesteld aan midden- en kleinbedrijf, "kleine und mittlere Unternehmen" (KMU) in Duitsland. KMU zijn bedrijven met minder dan 50 miljoen euro omzet en minder dan 250 (Europese Commissie) of 500 (Institut für Mittelstandsforschung, IfM, Bonn) medewerkers.

In vergelijking met andere Europese landen heeft Duitsland een lage KMU-dichtheid. De bijdrage van het midden- en kleinbedrijf aan de werkgelegenheid en de waardecreatie is in Duitsland lager dan het EU-gemiddelde:

Dat komt omdat er in Duitsland in verhouding weinig hele kleine bedrijven en veel grote bedrijven zijn. Duitsland staat nummer 5 op het lijstje van landen met de meeste "Fortune 500 companies":

KMU als zodanig zijn dus níet de ruggengraat en de banenmotor van de Duitse economie.

Maar, zegt het IfM, "Mittelstand" en KMU zijn niet hetzelfde. Een "mittelständisches Unternehmen" kán een KMU zijn, maar ook een groter bedrijf. Bepalend is dat eigendom en leiding in één hand liggen. Om precies te zijn: dat tot twee natuurlijke personen of hun familieleden tenminste 50 procent van de aandelen bezitten én dat deze natuurlijke personen deel uitmaken van het management.

Het IfM beschouwt "Mittelstand" en familiebedrijven als synomiemen. "Die Begriffe 'Mittelstand', 'Familienunternehmen', 'Eigentümerunternehmen' und 'familiengeführte Unternehmen' sind als Synonyme anzusehen", staat op de website van het IfM.

Over het succes van (Duitse) familiebedrijven vind je talloze statistieken en rapporten. Volgens de Stiftung Familienunternehmen is ongeveer 90 procent van alle Duitse bedrijven een familiebedrijf. "Familienkontrollierte" bedrijven zorgen voor 56 procent van de werkgelegenheid en 48 procent van het BNP in Duitsland.

Volgens de federatie European Family Business (EFB) zijn in de meeste landen ter wereld 70 tot 95 procent van alle bedrijven een familiebedrijf en zorgen familiebedrijven voor 50 tot 80 procent van de werkgelegenheid en voor 60 tot 90 procent van het BNP in de private sector.

Ook in de VS zijn familiebedrijven "the backbone of the economy", schrijft het Conway Center for Family Business. Naar schatting is 80 tot 90 procent van alle Amerikaanse bedrijven een familiebedrijf en zorgen familiebedrijven voor 62 procent van de werkgelegenheid en 64 procent van het BNP in de VS. In Nederland is ongeveer 70 procent van alle bedrijven een familiebedrijf, aldus het CBS.

Er bestaan nogal wat verschillende definities voor familiebedrijven. In het kader van de studie "Overview of Family-Business-Relevant Issues" van de Europese Commissie werden maar liefst 90 definities geïdentificeerd. Op de website van EFB staat de onderstaande kaart met conservatievere cijfers:

Het is duidelijk dat familiebedrijven geen typisch Duits fenomeen zijn. En het is dus onwaarschijnlijk dat Duitse familiebedrijven méér ruggengraat of banenmotor zijn dan familiebedrijven in andere landen.

Maar zijn "Mittelstand" en familiebedrijven wel hetzelfde, zoals het IfM dat ziet?

Volgens veel gangbare definities kunnen ook beursgenoteerde ondernemingen familiebedrijven zijn als de controllerende familie(s) minder dan 50 procent van de aandelen bezit(ten). Bij de Europese Commissie is de drempel 25 procent, bij het Center for Family Business aan de Universität St.Gallen 32 procent.

BMW, waarin de familie Quandt ongeveer 47 procent van de beslissingsbevoegdheid heeft, is dus wél een familiebedrijf volgens de definitie van de Europese Commissie, maar níet volgens het IfM.

De "rankings" met familiebedrijven in Duitsland worden aangevoerd door grote concerns als VW, BMW, Henkel en Schwarz (Lidl).

In de statistieken over familiebedrijven, bijvoorbeeld de onderstaande grafiek over de stijging van de werkgelegenheid bij familiebedrijven tussen 2006 en 2012, zijn ook de cijfers en prestaties van heel veel grote, "nicht-mittelständische" bedrijven verwerkt.

Wél bijzonder voor Duitsland zijn "Hidden Champions". Het begrip "Hidden Champion" werd in 1990 door de Duitse businessprofessor en consultant Hermann Simon geïntroduceerd in zijn publicatie "Hidden champions: Speerspitze der deutschen Wirtschaft". Simon definieerde een "Hidden Champion" als een bedrijf dat wereldwijd nummer 1, 2 of 3 is in zijn branche (of nummer 1 op het eigen continent), minder dan 3 miljard euro omzet maakt en onbekend is bij het grote publiek (omdat "Hidden Champions" vaak niet-beursgenoteerde familiebedrijven zijn).

Simon identificeerde wereldwijd ruim 2.700 "Hidden Champions", waarvan ruim 1.300 (48 procent!) in Duitsland. In Japan zijn het er 220, in Frankrijk 75:

Waarom heeft juist Duitsland zoveel "Hidden Champions"? Daar zijn volgens Simon verschillende redenen voor. Onder andere dwong de Duitse "Kleinstaaterei" tot het einde van 19e eeuw Duitse ondernemers snel te internationaliseren (bijvoorbeeld van Baden naar Sachsen!). Er ontwikkelden zich in Duitsland regionale clusters met hooggespecialiseerde competenties, zoals de klokkenindustrie in Baden-Württemberg, die de basis vormt voor de huidige medisch-technische industrie. De meet- en regelindustrie rond Göttingen is een spin-off van de eeuwenlang toonaangevende wiskundefaculteit van de universiteit van Göttingen. Ook intrinsieke innovatiedrift, het duale onderwijssysteem en de meer globale mindset van Duitsland in vergelijking met concurrerende industriële grootmachten spelen een rol.

Veel "Hidden Champions" zijn KMU, maar ruim 26% heeft meer dan 250 medewerkers en is dus een "Großunternehmen":

Volgens het Handelsblatt zijn tweederde van alle "Hidden Champions" wereldmarktleider, zijn "Hidden Champions" vijf maal meer klantgeörienteerd als grote bedrijven, investeren ze twee maal zoveel in R&D en hebben ze per 1.000 medewerkers vijf maal zoveel patenten. Hun winstgevendheid is twee maal zo hoog als die van het gemiddelde Duitse bedrijf.

In het rapport "Hidden Champions – Driven by Innovation" van het Zentrum für europäische Wirtschaftsforschung (ZEW) in Mannheim worden "Hidden Champions" vergeleken met bedrijven van gelijke omvang in dezelfde sector (de "Kontrollgruppe", KG in de onderstaande tabellen). In vergelijking met de KG hebben "Hidden Champions" (HC) een groter marktaandeel, groeien ze harder, exporteren ze meer en zijn ze winstgevender:

De meeste "Hidden Champions" komen uit de machinebouw en de elektronica:

Niet alle "Hidden Champions" komen uit Baden-Württemberg. Je vindt ze in heel Duitsland (kaart: Handelsblatt):

Als je zaken wil doen met (een) "Hidden Champion(s)" is het goed om te begrijpen hoe deze categorie bedrijven "tikt". Meer dan andere bedrijven streven "Hidden Champions" door focus marktleiderschap respectievelijk vergroting van hun marktaandeel na:

Niche-markten zijn meestal klein. Hidden Champions slagen er beter dan andere bedrijven in schaal te creëren door internationaal zaken te doen:

Om hun marktpositie te behouden zijn "Hidden Champions" veel met klanten in contact. Direct en intensief klantencontact is hun grootste kracht, meer nog dan technologie.

"Hidden Champions" doen veel zelf. Het aandeel eigen waardecreatie ("Wertschöpfungstiefe") ligt bij "Hidden Champions" bij meer dan 40 procent, in de Duitse industrie gemiddeld bij 30 procent.

Wellicht is het goed om te weten dat "Hidden Champions" vaker dan andere bedrijven met partners uit Europa samenwerken om te innoveren:

Het ontginnen van de speerpunt van de ruggengraat van de Duitse economie vraagt om serieuze inspanning. "Hidden Champions" zijn immers "hidden" én "champions" in wat ze doen!